Het is mogelijk dat sommige radio- en geëxplodeerde stelsels het resultaat zijn van galactische botsingen, niemand is er zeker van wat er gebeurt tijdens zulke botsingen. Er is een theorie die ons vertelt dat zij door elkaar kunnen gaan zonder dat er iets gebeurt, zoals een parade van tanks en soldaten, omdat de afstand tussen elke individuele ster enorm is. Maar zelfs indien de individuele sterren niet botsen zullen de overlappende gravitatie- en magnetische velden een galactische verwoesting creëren.
Even eigenaardig zijn de Seyfert stelsels, genaamd naar de ontdekker Carl Seyfert, die de eerste ontdekte in 1943. Ze hebben een extreem smalle en helle kern met een gemiddelde diameter van ongeveer 100000 lichtjaren. Men kan ze galactische dwergen noemen, maar zij stralen zulk een extreem hoge energie uit die honderden malen sterker is dan die van ons stelsel. Meer dan waarschijnlijk zijn ze verwant aan de meest eigenaardige objecten die wij kennen "de Quasars".
Quasar wil zeggen "Quasi-stellar radio source". Eén van hen werd reeds gefotografeerd in 1885 maar men dacht dat het om een gewone ster ging. In 1960 vond men verschillende van deze sterren die bronnen waren van radiosignalen. Gewone sterren zenden geen radiogolven uit van betekenis. Daarom werden deze sterren "radio sterren" gedoopt en werden zij het onderwerp van vele onderzoeken.
Onderzoekers van het Mt. Palomar Californië VS analyseerden in 1963 het licht van twee van hen. Hun spectra waren bijna niet te herkennen. Zij hadden een sterke roodverschuiving maar geen van de normale absorptielijnen die men anders wel aantrof bij gewone sterren. Indien deze objecten zover van ons verwijderd zijn kunnen Quasars geen sterren zijn. Het moeten dus sterrenstelsels zijn. Maar zelfs als verafgelegen stelsels zijn zij buitengewoon.
Ten eerste zijn zij zeer dun met een mogelijke dikte van enkele lichtweken. Ten tweede hebben sommige roodverschuivingen die een snelheid aangeven van 80 % van de lichtsnelheid, wat betekent dat deze stelsels de verste zijn van ons waarneembaar universum. Ten derde is hun helderheid is enorm voor een periode zo kort als een week.
Men dacht deze puzzel vlug te hebben opgelost maar een andere astronoom van hetzelfde instituut, Maarten Schmidt, vond dat het spectrum van de Quasar 3C273 - object 273 in de derde Cambridge catalogus van radiobronnen - er vrij normaal uitzag met een roodverschuiving van 15.8 %. Een roodverschuiving als deze gaf aan dat de Quasar zich van ons verwijdert met een snelheid van 42600 Km per seconde, ongeveer een zesde van de lichtsnelheid, en dit betekent dat het object zich ongeveer 2 miljoen lichtjaren van ons bevindt.
Een object op deze afstand moet een enorme energie uitstoten willen wij het kunnen waarnemen. Quasars zenden driehonderd maal meer infrarode straling uit dan onze eigen melkweg en kunnen daardoor ondergebracht worden bij de krachtigste sterrenstelsels. Er zijn maar twee mogelijke verklaringen, volgens de roodverschuiving van Quasars binnen de huidige kennis van de fysica verwijderen zij zich met een snelheid die de lichtsnelheid benadert, of hun licht wordt uitgezonden door gravitatievelden die krachtiger zijn dan van de reeds onderzochte stelsels. Omdat er geen voldoende verklaring kan worden gegeven, denken sommige astrofysici dat Quasars dichterbij liggen en de energie die zij uitzenden aanmerkelijk kleiner is.
Dit is een centraal discussiepunt in de kosmologie, sinds bewezen werd dat Quasars zich verwijderen van ons met een hoge snelheid en een krachtig bewijs leveren voor de Big Bang theorie.
Natuurlijk, om deze theorie te verwerpen stellen de Steady State voorstanders drie mogelijkheden voor.
Ten eerste kunnen Quasars met een hoge snelheid uitgestoten zijn door relatief dichtbij geëxplodeerde sterrenstelsels, maar in dit geval zou men ze moeten kunnen zien tegen een achtergrond van ver afgelegen sterren.
Ten tweede, sommige onzichtbare objecten tussen de Quasars en ons kunnen het licht vertragen.
Ten derde kunnen het sterren zijn in de fase van gravitatieineenstorting, welke bijna het stadium van een Zwart Gat bereiken.
Het laatste punt kan zo goed als verworpen worden omdat men al meer dan negentig jaar een Quasar observeert, en indien die veronderstelling waar zou zijn was dit object reeds verdwenen.
De bewijsvoering suggereert sterk dat Quasars verafgelegen objecten zijn en dat ze een enorme energie uitstralen, soms duizenden malen sterker dan onze melkweg kan produceren. De thermonucleaire kracht die de sterren gebruiken is veel te klein om zulke energie te veroorzaken, maar wat met een "Supernova", de massieve explosiekracht van een grote stervende ster?
In een kleine maand kan een Supernova miljoenen malen meer energie uitzenden dan sterren in hun normaal stadium. Volgens computerberekeningen kan zelfs zulk fenomeen de kracht niet leveren van een Quasar, en is er maar één proces dat dit wel kan, de botsing tussen materie en antimaterie. Materie en antimaterie zijn willekeurig verspreid tijdens de vorming van ons universum, maar tijdens de contractie van een protosterrenstelsel kunnen ze samengebracht worden en een enorme energieuitstoot veroorzaken.
De moeilijkheid van deze theorie is dat materie en antimaterie elkaar dadelijk moeten annihileren en er een gebalanceerde interactie moet bestaan tussen beide. Omdat Quasars de verst afgelegen objecten zijn in ons waarneembaar universum zijn zij ook de oudste. Kunnen zij overblijfselen zijn van de Big Bang, waar alles begon en waaruit zich nieuwe sterrenstelsels kunnen vormen ?
Indien de mens in staat zou zijn om antimaterie te scheppen, en deze mogelijkheid bestaat door de deeltjesversnellers, zou hij een krachtige onuitputbare energiebron kunnen creëren.
Aan de grenzen van onze kennis en waarneembaar universum krijgt onze fantasie de bovenhand. "Een fantasie, ons meegegeven als kind, die ons bracht tot de hedendaagse kennis".