|
Beginners starten nogal geestdriftig met planeetwaarnemingen. Planeten zoals Venus, Mars, Jupiter en Saturnus lokaliseer je immers makkelijk. Na de zon en de maan zijn het de helderste objecten aan de hemel. De eerste blik door een kijker op zo een wereld is voor de meeste mensen teleurstellend.
.Pas na lang genoeg kijken, kun je op Jupiter twee donkere streepjes ontwaren die de equatoriale banden moeten zijn of zie je op het egaal - oranje oppervlak van Mars een klein donker vlekje dat alleen maar Syrtis Major kan zijn. Enkel Saturnus zal je van in het begin bevallen. De ring geeft echt een mooi ruimtelijk effect.
Voor een beginnend waarnemer is dit al gauw een reden om de kijker voorlopig maar met rust te laten, in de waan dat de rest van wat er aan de hemel te zien is waarschijnlijk ook niet veel zaaks zal zijn. Toch hebben de planeten heel wat te bieden. Het vergt alleen een pak geduld, veel doorzettingsvermogen. En zelfs al wil je er wat minder tijd aan spenderen, zijn er nog altijd andere waarnemingen te doen. Zo kan je de posities van de Jupiter maantjes bijhouden of trachten al de planeten in je leven te zien of zoveel mogelijk planeten in één nacht.
Waar vind je ze ?
Planeten aan de nachthemel opzoeken met alleen maar een planisfeer of een sterrenatlas zal moeilijk lukken. Planeten zijn ,zoals het woord “Planein” (zwerven) aangeeft, objecten die tussen de sterren “dwalen” of bewegen. Om ze te lokaliseren zal je gebruik moeten maken van een Hemelkalender. In deze jaarlijkse verschijnende publicaties vind je zoekkaarten voor praktisch elke planeet. Maar bovendien kan je ook best weten welke perioden van de jaar gunstig is voor je waarnemingen.
De binnenplaneten
De binnenplaneten Mercurius en Venus ga je altijd moeten zoeken in de buurt van de zon. Dat betekent dat je ze ofwel ’s avonds direct na zonsondergang zal moeten waarnemen. Binnen planeten zijn het best te observeren bij hun maximale elongatie, hetzij oost of west, want dan is de hoek tussen de planeet en de zon vanaf de aarde gezien het grootst. Op dat moment staat de planeet het verst van de zon weg en loopt de minste kans dat ze wordt overstraald.
Is de maximale elongatie oostelijk, dan zal je de planeet ’s avonds moeten observeren, want dan is ze oost van de zon en gaat ze uiteraard pas na de zon onder. Is de maximale elongatie echter westelijk, dan zal je de planeet ’s morgens moeten waarnemen want dan komt ze voor de zon op. Maar zelfs bij maximale elongatie is de waarnemingsperiode voor de binnenplaneten beperkt. De maximale elongatie voor Mercurius is 28 ° en voor Venus 46 °
.
De zichtbaarheid van de binnenplaneten is ook afhankelijk van de stand van de ecliptica ten overstaan van de horizon. De ecliptica maakt een hoek van 23 ° 27’ met de hemelequator. Daardoor ga je haar gedurende de loop van een jaar een hoek zien maken met de oostelijke of westelijke horizon die voor elk tijdstip anders is. Dat is ook te zien aan de zon. Gedurende het jaar gaat die voor een bepaald tijdstip meer of minder steil t.o.v. de horizon opkomen en de ecliptica is tenslotte haar baan.
Nu vallen de banen van de planeten allemaal praktisch in het vlak van de ecliptica en zal je de planeten steeds moeten zoeken in de omgeving van de ecliptica. Wanneer bovendien een binnenplaneet net haar grootste elongatie bereikt, dan is die planeet optimaal zichtbaar.
Een avondverschijning ligt heel wat gunstiger in de lente want dan bevindt zich het deel van de ecliptica dat je ’s avonds ziet, ten noorden van de hemelequator en bijgevolg steiler op de horizon. ’s morgens bevindt het zichtbare deel van de ecliptica zich ten zuiden van de hemelequator. en dus minder steil en ook dichter bij de horizon. In de herfst daarentegen is het andersom. Dan staat de ecliptica ’s morgens steiler op de horizon en ligt een ochtendverschijning het gunstigst. ’s avonds krijg je dan weer een ecliptica te zien die minder steil en dichter bij de horizon ligt en dat is minder gunstig.
Nu is dit alles voor het waarnemen van Venus niet zo kritisch. Deze planeet is zo helder dat ze altijd wel door de schemering, de nevel, laag aan de horizon door priemt. Maar wil je Mercurius waarnemen dat moet je er zeker rekening mee houden.
Tijdens de benedenconjunctie staat de planeet het dichtst bij de aarde. Dan zal zijn hoekdiameter, of de hoek waaronder je ze ziet, het grootst zijn. Helaas zit de zon in dezelfde richting. Je kijkt tegen de onverlichte zijde aan van de planeet die door het zonlicht wordt overstraald. Het is dan “ nieuwe planeet” zoals bij de maan. Bij een bovenconjunctie is de situatie net andersom. De planeet staat het verst van ons af en is dus op z'’ kleinst. Men ziet nu een kleine heldere verlichte "volle planeet".
Vlak voor en vlak na de beneden conjunctie kunnen we echter een grote smalle sikkel ontwaren. De binnenplaneten vertonen schijngestalten zoals de maan. De mate waarin een planeet die schijngestalten vertoont is afhankelijk van de hoek zon – planeet – aarde. Daardoor wordt de hele cyclus van schijngestalte doorlopen, nieuw, eerste kwartier, vol en laatste kwartier. Er is echter een belangrijk verschil met de maan. Gedurende het doorlopen van deze schijngestalten variëren de binnenplaneten sterk in hoekdiameter. Bij de volle fase is de planeet op zijn kleinst, bij de nieuwe fase het grootst, met de andere fasen er tussen in.
De buitenplaneten
Buitenplaneten lopen in een baan die verder van de zon liggen dan die van de aarde. Daardoor moet je ze niet steeds in de buurt van de zon gaan waarnemen. De buitenplaneten prijken vaak hoog en zelfs gedurende de hele nacht aan de hemel. Men moet ze gaan zoeken in de buurt van de ecliptica, in de sterrenbeelden van de zogenaamde dierenriem.
In plaats van een beneden en bovenconjunctie, kennen buitenplaneten een conjunctie en een oppositie. Wanneer een buitenplaneet in oppositie is, doorloopt ze haar oppositielus tussen de sterren. Dat is een schijnbaar teruglopende beweging die je ziet omdat de omlooptijd van de aarde rond de zon korter is dan die van de planeet.
Het waarnemen van een oppositielus aan de hemel is een fijne bezigheid en je kan het met het blote oog observeren. Schat om de paar dagen de positie van de planeet tussen de omringende sterren en duidt ze aan op een sterrenkaart. Zo zie je de wetten van de hemelmechanica voor je ogen tot leven komen, zoals de astronomen uit de oudheid dit deden.
Wanneer een planeet in conjunctie staat kun je in principe niet meer waarnemen want de zon zit in de weg. Als de planeet in oppositie staat, komt ze op bij zonsondergang, blijft de hele nacht aan de hemel staan en gaat onder bij zonsopgang.
Een planeet kan ook in oostelijke of westelijke kwadratuur staan. Staat ze in westelijke kwadratuur, dan zal ze om middernacht opkomen en door de zuidelijke meridiaan gaan bij zonsopgang. Bij oostelijke kwadratuur komt ze ’s middags op en gaat bij zonsondergang door de meridiaan.
Waarnemingen
Planeetwaarnemingen doe je best met een telescoop. Het haalt helaas niet veel uit om met een binoculair naar de planeten te kijken. Buiten een telescoop zijn er nog een paar dingetjes die je beter in huis kan halen.
Instrument
Echte planeetwaarnemers kopen of bouwen speciaal daarvoor bedoelde optische instrumenten. Dit zijn over het algemeen instrumenten met een lange brandpuntsafstand en dus een grote focale verhouding, bij voorkeur N=15(f15) zelfs tot 20. Ze komen dan meestal uit op een refractor of een speciaal daartoe gebouwde Newton want de klassieke Newtons hebben meestal een lagere focale verhouding, zo van 4 tot 10.
Vergroting
Voor de studie van planeetoppervlakken heb je een hogere vergroting nodig dan voor het observeren van andere objecten. Bij een lage vergroting zijn de planeetschijfjes, behalve dat van Jupiter, zo klein dat zij zich zelf overstralen. 2 maal D de diameter van het objectief in millimeter is zowat de bovengrens voor de vergroting. Meer vergroten heeft geen zin want dan ga je als het ware “leeg” vergroten. Je ziet het beeld wel groter worden en de details wel verder uit elkaar maar ze worden wazig en je zal zeker geen bijkomende details zien.
Werken met vergrotingen in de buurt van de bovengrens kan je rustig vergeten als je niet beschikt over een zeer stevig en volledig trillingsvrij statief en dito montering, liefst voorzien van volgmotoren. Bovendien moet ook nog de atmosfeer rustig zijn wil je de bovengrens van de vergroting halen.
Filters
Wanneer je kleuren met filters wel doorlaat en andere gaat onderdrukken, kunnen details op het oppervlak ineens stukken beter zichtbaar worden en duidelijk afgetekend.
Kleurfilters dragen over het algemeen een codenummer dat de aard van de kleur en de kleurdiepte aangeeft. Soms is dat het Schotnummer maar het meest ga je het Wrattennummer tegenkomen. Dat werd ingevoerd door Kodak voor gebruik in de fotografie. Je zit het op filters staan als een “W” gevolgd door een nummer.
Je zal alvast begrepen hebben dat een planeetwaarnemer beschikt over een setje kleurfilters die op het oculair kunnen geschroefd worden. Filters zijn wel heel nuttige hulpmiddelen bij planeet waarnemingen. Bij Mars betekent het gebruik ervan details waarnemen of niet en bij Jupiter zijn de wolkenbanden pas echt uitgesproken zichtbaar.
De atmosfeer
Afgezien van wolken, mist of dauwvorming kunnen, zelfs bij helder weer, de onderlinge beweging van de diverse luchtlagen het beeld flink doen trillen of de scherpte ervan aardig doen variëren.
De mate waarin het beeld van een object door een kijker gezien trilt, wordt de “seeing” genoemd. Het verschijnsel wordt veroorzaakt door opstijgende warme en dalende koude luchtbellen. Daardoor gaat de brekingsindex van de diverse luchtlagen variëren. Dan gaan lichtstralen voortdurend van richting veranderen waardoor sterren gaan flikkeren, schitteren en details op de planeetschijfjes en zelfs de planeet gaat dansneigingen krijgen. Deze ongemakken moet je als waarnemer erbij nemen.
|