|
Saturnus
In het zonnestelsel en mogelijk wel aan de ganse sterrenhemel spreekt geen enkel object meer tot de verbeelding dan Saturnus. Dit ligt ongetwijfeld aan het prachtige ringen stelsel dat je reeds met een kleine kijker kan bewonderen. Voor een binoculair heeft Saturnus maar weinig te bieden. De ringen ga je niet als zodanig herkennen, je ziet hooguit een klein langwerpig schijfje. Je kan mogelijk een glimp opvangen van de maan Titan. Maar dan moet je wel precies weten waar die zich bevindt om haar niet te verwarren met een sterretje dat toevallig in de buurt van Saturnus staat.
De zichtbaarheid
Door zijn grote helderheid tijdens en rond de oppositiedatum, is het niet moeilijk om Saturnus met het blote oog te lokaliseren. De planeet komt in oppositie om de 378 dagen of 1 jaar en 13 dagen. Voor één omloop om de zon of met andere woorden om éénmaal de ecliptica te doorlopen heeft Saturnus 29.4 jaar nodig.
Saturnus kan vrij lang op een gunstige maar ook ongunstige plek van de ecliptica zitten. Net als Mars en Jupiter moet je ook Saturnus vrij laag boven de horizon gaan zoeken wanneer de opposities plaats vinden in de nazomer of Herfst.
De ringen
Die zijn vrijwel zeker de bezienswaardigheid van het zonnestelsel. Wanneer je met de kijker de nachthemel afspeurt is Saturnus het enige object dat de verwachtingen waar maakt.
Om het te kunnen zien is een vergroting van 50 maal een minimum. Maar om er ten volle van te genieten kun je beter tot aan de limieten van je kijker gaan. Het beeld zal dan niet zo stabiel zijn en erg afhankelijk van seeing en transparantie maar de enkele momenten dat het in focus springt zijn prachtig.
Wanneer je Saturnus gedurende een aantal jaren waarneemt, merk je op dat het uitzicht van de ringen na verloop van tijd verandert. Je ziet de ringen evolueren van meer open d.w.z. dat je er eerder bovenop kijkt en er zelf door kan kijken, naar meer gesloten tot zelfs volledig onzichtbaar worden omdat je tegen de rand van het vlak aankijkt.
De oorzaak ligt bij de helling van de rotatie – as van Saturnus op het ecliptica vlak. Die bedraagt 27 ° met het gevolg dat je gedurende één Saturnus omloop rond de zon, tweemaal op de rand van de ringen kijkt, die dan onzichtbaar worden en tweemaal de ringen maximaal open ziet staan. Tussen maximaal open en onzichtbaar zitten steeds zeven jaar. Bovendien kijk je gedurende de ene helft van het Saturnus jaar, dat zijn 15 aardse jaren, tegen het Noordelijk halfrond van de planeet aan en gedurende de andere helft van het Saturnus jaar zie je het Zuidelijk halfrond.
Met een relatief klein instrument, een refractor van 60 tot 100 mm of een reflector van 100 tot 150 mm kan je ook nog enige details in de ringen ontwaren.
Men kan vaststellen dat het ringenstelsel uit meerdere concentrische ringen bestaat waartussen je donkere scheidingen kan zien. De voornaamste ring is de zogenaamde B – ring die door de scheiding van Cassini los zit van de A - ring. Die A – ring zelf is reeds aanmerkelijk donkerder dan de B – ring. Bij slechte seeing of in een te klein instrument, ga je de A en de B ringen in elkaar zien overlopen en zie je slechts één ring die naar buiten toe afzwakt. Binnen de A – ring bevindt zich nog de Scheiding van Encke. Die kun je enkel met een instrument van meer dan 200 mm opening waarnemen.
De C – ring, ook Crepe –ring genoemd bevindt zich binnen de B – ring en is slechts met grote telescopen te zien. Hij verraadt wel zijn aanwezigheid in kleinere telescopen wanneer je hem voor de Saturnusbol ziet. Dan zorgt hij voor een afzwakking van het licht van de planeetbol, net alsof er een sluier voor hangt. Maar dat verschijnsel mag je niet gaan verwarren met de eigenlijke schaduw van de ringen op de planeet. Naast de vermelde ringen blijkt er nog een D – ring te bestaan die alleen met de grootste kijkers te zien is.
Details
Voor wat de planeetschijf zelf betreft, vertoont Saturnus maar een bescheiden beeld. Net als op Jupiter zie je op Saturnus donkere banden en lichtere zones maar de verschillen tussen banden en Zones zijn niet zo uitgesproken. De planeetschijf is bij oppositie hooguit 21 boogseconden in diameter, waardoor het ontdekken van details wordt bemoeilijkt. De best waarneembare details zijn de equatoriale banden en de donkere poolgebieden. De echt ervaren planeet waarnemer ziet na veel oefenen toch nog meer details en zelfs structuren zoals festoons, ovalen en inhammen.
Door de helling van de rotatie – as komen op Saturnus eveneens seizoenen voor. Die zijn ook meer uitgesproken omwille van de ringen die als een zonnescherm fungeren. De banden en zones die na de Saturnus winter via een ringvlak passage weer vol in het zonlicht komen, lijken eerst doffer. Na een paar maanden tot een jaar worden ze opnieuw intenser.
Een beroemd detail is de enorme witte vlek. Die verschijnt om de dertig jaar. De vlek wordt veroorzaakt door de hoge en, net als bij Jupiter, differentiële rotatiesnelheid van de planeet.
De manen van Saturnus
Zeker zes maantjes van Saturnus zijn met kleinere kijkers waarneembaar. Titan, Rhea, Dione, Thetys, Japetus en Enceladus.
Titan, de grootste maan, is reeds met de kleinste kijkers (60 mm) zichtbaar maar om de andere manen te zien heb je toch een opening van 100 à 150 mm nodig. Bij het waarnemen van de manen van Saturnus vormt de planeet zelf het grootste probleem. Haar licht overstraalt dat van de maantjes. Je kan die dan ook het best waarnemen als zij hun grootste elongatie hebben bereikt. Dan staan ze van de aarde uit gezien het verst links of rechts van de planeet.
Unarnus, Neptunus en Pluto
De drie buitenste planeten zijn heel wat moeilijker te waarnemen. Enkel Uranus is bij een zeer goed transparante hemel met het blote oog waarneembaar. Met een binoculair is het echter geen probleem om de planeet te vinden.
Neptunus daarentegen kan je met een binoculair wel vergeten.
Voor een beginnend waarnemer is het opzoeken van de beide planeten eigenlijk de enige uitdaging. De planeetschijfjes zijn ontzettend klein. Uranus meet 3.6 boogseconden in diameter en Neptunus 2.2 boogseconden. Hooguit zal je merken dat Uranus een groenachtige kleur heeft en Neptunus er wat blauw uitziet. Om Uranus als schijf te herkennen moet je zeker een vergroting van 100 maal inzetten en voor Neptunus minstens 150 maal. Pogingen om beide planeten te observeren hebben alleen zin bij een zeer heldere nachthemel met goede transparatie en een vrij uitzicht op de horizon zonder lichtvervuiling of maanlicht. De manen van Uranus en Neptunus zijn zo lichtzwak dat ze enkel door grote telescopen met meer dan 350 mm opening kan waarnemen.
Pluto
Pluto opsporen is alleen mogelijk met zeer grote kijkers met een opening van 400 mm en meer. Goede zoekkaarten zijn noodzakelijk.
|